donderdag 10 maart 2011

Burn-out voor het eerst in hersenen zichtbaar



 

In het kort 

Voor het eerst zijn verschillen gevonden in de hersenactiviteit tussen gezonde mensen en mensen die lijden aan een burn-out. Een doorbraak. Tot op heden was deze aandoening niet vast te stellen aan de hand van objectieve gegevens. Nijmeegse onderzoekers vonden een combinatie van EEG-veranderingen die uniek zijn voor burn-out. Daarmee hebben ze een objectieve maat gevonden voor de diagnose burn-out. Een team van onderzoekers onder aanvoering van dr. Gilles van Luijtelaar van het Donders Institute for Brain Cognition and Behaviour van de Radboud Universiteit Nijmegen publiceert de resultaten in het zojuist verschenen Journal of Neuropsychiatry and Clinical Neurosciences, het wetenschappelijke tijdschrift van de American Neuropsychiatric Association.   

Moeilijke diagnose

Burn-out wordt niet in alle landen erkend. Diagnose is moeilijk, onder andere omdat sommige kenmerken lijken op die van depressie en chronische vermoeidheid (CVS). De aandoening heeft ook geen eigen plaats in het standaardwerk voor diagnose en behandeling van psychische aandoeningen, het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders ( DSM).

Strenge selectie vooraf van burn-out

Met behulp van EEG registreerden de onderzoekers de hersenactiviteit van dertien burn-outpatiënten en vergeleken die met gegevens van even veel gezonde vrijwilligers. Een kleine groep, maar voldoende betrouwbaar voor een eerste studie, aldus Van Luijtelaar. ‘Vooraf heeft een strenge selectie plaatsgevonden. Bij onze proefpersonen was er zonder enige twijfel sprake van een burn-out. Hun problemen waren overduidelijk werkgerelateerd. Degenen met depressieve symptomen en of andere psychiatrische problemen haalden de selectie niet.'

EEG van burn-outpatiënten wijkt af

De proefpersonen werkten mee aan diverse neuropsychologische en EEG-testen. Zo werd de spontane activiteit gemeten in ontspannen toestand wanneer de proefpersonen rustig hun ogen open hadden en sloten. Bij beide groepen was een mooi ritmisch en evenwichtig golvenpatroon zichtbaar in de vorm van alfa-golven (8-12 Hz golven, die vooral optreden bij ontspannenheid). De piekfrequentie van dit ritme lag echter lager bij de burn- outgroep. Dit wijst op een geringere bereidheid of mogelijkheid om zich mentaal in te spannen. Ook het bètaritme, de snelle kleine hersengolfjes die horen bij een toestand van waken, waren kleiner. Dat wijst volgens de onderzoekers op verminderde activatie van de cortex, de buitenste laag van de grote hersenen. Bij burn- outpatiënten waren er - anders dan bij depressieven - geen verschillen in frontale EEG-activiteit tussen de linker en rechter hersenhelft. Een tweede test, waarbij de deelnemers een serie tonen te horen kreeg die af en toe werd onderbroken door een afwijkende toon, liet ook duidelijke verschillen zien tussen de twee groepen. Er werden afwijkingen gevonden in de P300, een opgewekte hersengolf. Deze golf was bij de burn- outpatiënten vlakker: ze reageerden minder sterk op de afwijkende toon. Zo'n afgevlakte golf komt ook voor bij depressieven, maar anders dan bij burn- outpatiënten kennen die geen vroege piek van de P300. P 300 gezonde en P 300 burn-outpatiënten. Dit wijst erop dat burn- outpatiënten moeite hebben om informatie automatisch te verwerken. Prikkels worden meer ‘bewust' verwerkt. Dat vergt meer mentale inspanning en daar komt de cognitieve vermoeidheid van burn-out misschien vandaan.

Vergelijkingen met depressie en CVS

Omdat sommige symptomen van depressie en chronische vermoeidheid lijken op die van burn-out, hebben de onderzoekers onderdelen van hun metingen vergeleken met resultaten zoals die beschreven zijn bij depressieven en CVS-patiënten. De combinatie van de gevonden EEG-veranderingen is uniek voor burn-out. Daaruit concluderen de onderzoekers dat ze een objectieve maat - een biomarker - in handen hebben om deze aandoening te kunnen vaststellen.

Erkenning burn-outpatiënten 

‘Een belangrijk resultaat', zegt neurowetenschappper Gilles van Luijtelaar. Nog belangrijker vindt hij dat het onderzoek gepubliceerd wordt in een Amerikaans tijdschrift. ‘In de VS wordt burn-out niet erkend als ziekte. Nu psychiaters daar kennis nemen van deze objectieve maat, zullen patiënten herkend en beter behandeld kunnen worden.' Wel benadrukken de auteurs dat het gaat om een eerste onderzoek in een kleine groep. Het onderzoek heeft - zoals dat gaat in de wetenschap - een vervolg nodig in een grotere groep.

Samenwerking behandelaars en wetenschappers 

Deze studie combineert expertises van behandelaars en wetenschappers. Onderzoekers van Donders Centre for Cognition (dr. Gilles van Luijtelaar, drs. Martijn van den Bunt) en het Behavioural Science Institute (dr. Ger Keijsers, dr. Marc Verbraak) van de Radboud Universiteit, werkten samen met de HSK-Groep, een landelijke gezondheidszorgorganisatie gespecialiseerd in de diagnose en behandeling van psychische stoornissen, waaronder burn-out (dr. Marc Verbraak) en Brainclinics Diagnostics (drs. Martijn Arns). De patiënten werden gerecruteerd via HSK. Klinisch psychologen dr. Ger Keijsers en dr. Marc Verbraak kennen de symptomen van en de gangbare diagnostiek bij  burn-out en kozen de meest optimale selectiecriteria, waarbij patiënten met depressie en CVS uit de onderzoeksgroep werden gefilterd. Brainclinics Diagnostics verzorgde de metingen en drs. Martijn Arns, Martijn van den Bunt en dr. Gilles van Luijtelaar bedachten het experiment, bewerkten de gegevens en verzorgden de publicatie.

Bron: www.ru.nl/wetenschapsagenda
Auteur: EEG Findings in Burnout Patients. Gilles van Luijtelaar, Marc Verbraak, Martijn van den Bunt, Ger Keijsers, Martijn Arns. The Journal of Neuropsychiatry and Clinical Neurosciences, (Spring issue).

woensdag 9 maart 2011

Oorzaken van onderpresteren op school


(afbeelding met dank aan Dorien Kok)

Ik wilde in deze blog post graag nog even verder gaan over het thema onderpresteren, omdat dit een 'gegeven' is wat toch kenmerkend is voor veel hooggevoelige jongeren.
Nog even duidelijk stellen dat dit de visie is van Renata Hamsikova.

Oorzaken van onderpresteren op school
1) Structuur
Kinderen met een Attention Deficit Disorder, in het bijzonder die met hyperactiviteit of veel energie zijn gebaat bij structuur in de klas. Ze zijn snel afgeleid door beweging en geluid. Ook kinderen die één-op-één begeleid worden zullen, terug in de klas, steeds de aandacht van de leerkracht vragen indien er geen structuur is.

2) Competitie
Onderpresteerders kunnen niet goed omgaan met competitie. Ze zijn slechte verliezers en ze willen niet betrokken worden bij activiteiten tenzij ze zeker weten dat ze winnen. Ze geven hun probleem bijna nooit toe en begrijpen het soms niet eens. Ze worden boos, stoppen, verzinnen smoesjes en geven op. Ze neigen er naar dingen in een competitief kader te zien maar zijn bang om te falen, omdat ze zo graag willen winnen. Hoe vaker ze zichzelf zien als verliezer, hoe minder ze geneigd zijn tot volgende pogingen.
Onderpresteerders zijn zich niet bewust van het effect van competitie op hun presteren. Ze maken slechts commentaar over de klas, dat ze de klas en de kinderen die hen verslaan niet leuk vinden. Wanneer onderpresteerders moeten strijden tegen hun eigen eerdere prestaties, ervaren ze dat als bemoedigend, omdat verliezen minder dreigend lijkt. Als ze zichzelf verbeteren en strijden met hun eerdere tegenslagen, helpt hen dat zichzelf als competent te zien. Ook teamcompetitie kan daarbij helpen. Wanneer de klas moet strijden tegen een andere klas, zal wordt winst of verlies ervaren door de groep. Teamcompetitie helpt de groepssolidariteit te koesteren en geeft kinderen een reden om te willen bijdragen.
De kinderen zouden beide ervaringen moeten hebben, zowel winnen als verliezen.

3) ?Labeling?
Labeling beïnvloedt de verwachtingen van het kind zelf en ook de verwachtingen van de leerkracht. De verwachtingen die de leerkracht heeft van een kind kunnen een dramatisch effect hebben op de prestaties van het kind en diens zelfbeeld (dus ook te lage verwachtingen).

4) Negatieve aandacht
Zoals eerder gezegd zijn kinderen die onderpresteren vaak afhankelijk van aandacht. Hun vroege jeugd heeft in het teken gestaan van excessieve aandacht en/of afhankelijke of dominante manipulaties. Ze doen het goed in een één-op-één omgeving maar kunnen zich moeilijk aanpassen in een klas waar ze niet zo veel aandacht krijgen. Ze kunnen de symptomen van ADD (Attendion Deficit Disorder) laten zien, ook al hebben ze geen biochemische problemen. Ze zijn steeds op zoek naar aandacht.
Wanneer ze positieve aandacht krijgen, presteren ze, maar veel van deze kinderen vinden het gemakkelijker om negatieve aandacht te vragen.
Wat de houding van de ouders betreft: verandering in verwachtingen, het aanmoedigen van onafhankelijkheid, alsmede versnelling (met behulp van een privé-leraar) kunnen deze kinderen aanzienlijk helpen.
Tips voor de leerkracht: - ?Barbie-symptomen? van spanning zijn vaak een indicatie van onvoldoende ervaring met druk of een gebrek daaraan.
- Bij kleuters kan het met stickers belonen van positief gedrag helpen.
- De sensitiviteit en empathie van deze kinderen is positief zolang deze niet wordt overdreven. De boodschap die belangrijk is voor prestaties en een bevredigend leven is dat iedereen verder moet met zijn leven, ongeacht de problemen (niet te veel betuttelen).
- Wanneer een kind zich niet goed gedraagt in de klas, wordt het vaak publiekelijk aangesproken. Maar onderzoek en ervaringen van ouders geven aan dat dit de negatieve aandacht alleen maar versterkt. Beter is het een signaal met het kind af te spreken wanneer het zijn gedrag moet aanpassen, dan wel het kind apart aanspreken. Op die manier wordt de negatieve aandacht omgezet in positieve en verbetert het gedrag van het kind.
- Wanneer een kind opdrachten niet afmaakt, is het beter dit niet in de pauze te laten afmaken. Het kind geniet dan van speciale aandacht en hulp van de leerkracht die hij krijgt wanneer de andere kinderen weg zijn en zal dan blijven doorgaan met zijn werk onafgemaakt te laten tijdens de lessen.

5) Verveling
Het woord dat vaak gehoord wordt van onderpresterende kinderen is saai. Het woord saai moet echter bij verschillende kinderen verschillend worden geïnterpreteerd.
Voor sommige kinderen betekent dit dat het werk te zwaar is; voor anderen betekent het dat het te simpel is.
Het zou kunnen betekenen
  • ik ben bang voor de competitie
  • de leerkracht moet het op mijn manier doen
  • ik zit in een machtsstrijd met de leerkracht
  • ik vind het onderwerp niet leuk
  • Ik zou liever met vrienden praten, voetballen of TV kijken
Voor weer andere kinderen betekent dit écht dat het werk oninteressant is.
Zowel te simpel als te moeilijk materiaal kan onderpresteren veroorzaken. Vaak is het echter een te laag niveau dat aanzet tot onderpresteren. De kinderen ervaren dat schoolwerk altijd gemakkelijk is en ze leren niet zich in te spannen. In de hogere klassen en op de middelbare school krijgen ze dan enorme problemen, want ze hebben niet geleerd om te leren en ze zijn nooit uitgedaagd. Kinderen moeten de relatie tussen inzet en resultaat vroeg leren. Hierdoor krijgen ze het gevoel van interne controle dat presteerders onderscheidt van onderpresteerders.
Voor de leerkracht: de leerkrachten zouden alert moeten zijn op de kwaliteit van de vaardigheden van de kinderen, zodat ze de nodige hulp en/of uitdagingen kunnen bieden.

6) Individualisatie versus conformeren
De oorzaken van onderpresteren in een klas omvatten o.a. de leefomgeving van een klas waar de structuur te star is of juist te vrijblijvend; er is te veel strijd; kinderen hebben een etiket; er is veel negatieve aandacht of er is verveling veroorzaakt door een verkeerde combinatie tussen de vaardigheden van het kind en het aangeboden niveau van de leerstof.
Al deze problemen kunnen worden gereduceerd tot een debat: individualisatie versus conformeren. In de klas moet evenwicht worden gevonden tussen individuele aandacht die de kinderen krijgen en aandacht voor de gehele klas. Kinderen moeten de gelegenheid krijgen hun sterke leerpunten te benutten. Het is echter onrealistisch om hen de boodschap mee te geven dat onderwijs altijd aan hun behoefte kan worden aangepast.
Voor de leerkracht: starheid is geen oplossing, maar duidelijke leiding met redelijke flexibiliteit is voor alle kinderen goed, zowel presteerders als onderpresteerders.