maandag 16 januari 2012

HSP, AD(H)D en PDD-NOS, temperament of stoornis?

 

Vandaag deel ik graag een artikel van de Blog pagina van 

Karina Zegers de Beijl

Enkele dagen dagen kreeg ik een artikel onder ogen dat mijn aandacht trok.

Het betreft een doctoraalscriptie van B.D.H. de Jong uit 2010 doctoraalscriptie waarin deze stilstaat bij het feit dat er voor wat Europa betreft vooral in Nederland steeds meer kinderen met een stoornis als AD(H)D en/of PDD-NOS worden gediagnosticeerd. De Jong vroeg zich af of dit te maken heeft met het “rugzakje” en de bijbehorende voordelen, of dat er misschien iets anders aan de hand is.

Wat is, zo vraagt hij zich af, eigenlijk de relatie tussen hooggevoeligheid en AD(H)D en PDD-NOS? Is er in alle gevallen sprake van een stoornis?

Wat duidelijk uit het onderzoek blijkt is dat hooggevoelige kinderen opvallend hoger scoren op ADHD en ADD, en ook op de problematiek van PDD-NOS, dan niet hooggevoelige kinderen. Bovendien bestaat er een sterke overlap in het gedrag van de HSP’ers en het profiel dat bij de betreffende stoornissen hoort.

Maar hoe duidelijk is duidelijk? De diagnostiek zoals deze momenteel gehanteerd wordt lijkt tot niet geheel eenduidige resultaten te komen, en in die zin is het waarschijnlijk geen al te vergezochte gedachte dat het wel eens zo zou kunnen zijn dat kinderen het stempel van AD(H)D of PDD-NOS krijgen opgedrukt terwijl ze ‘alleen maar’ hooggevoelig zijn en niet goed met die hooggevoeligheid om kunnen gaan.

‘Waakzaamheid tijdens de diagnostiek,’ zegt de Jong uiterst terecht, ‘is geboden.’ Hij geeft bovendien aan dat ‘de diagnostiek zich vooral richt op het identificeren van symptoomgedragingen en geen nader onderzoek verricht naar de oorzaak van de stoornis of ziekte.’

Luidt de diagnose AD(H)D of PDD-NOS, dan komt een kind in aanmerking voor een ‘rugzakje.’ Aan het rugzakje kleven voor- en nadelen. Een rugzakje is positief in de zin van recht op speciaal onderwijs en extra zorg. Dat is uiteraard mooi meegenomen, en helemaal wanneer het kind inderdaad een stoornis heeft. Maar een kind dat hooggevoelig is en het stempel van een mentale stoornis krijgt opgeplakt, gaat zich naar dat stempel gedragen en zal onderpresteren. Het is nu eenmaal zo dat een label stigmatiseert. En dan hebben we het nog niet eens over de medicatie. Ik ben niet degene om te beoordelen of het correct is om een kind met ADHD Ritalin of andere geneesmiddelen voor te schrijven, maar het mag duidelijk zijn dat middelen met sterke bijwerkingen niet gegeven behoren te worden aan een kind dat ‘alleen maar’ hooggevoelig is.

Het lijkt me geen slecht idee om bij een diagnose van een mentale stoornis op zijn minst één second opinion te vragen. En in alle eerlijkheid is het misschien ook geen slecht idee om bij het oordeel “hooggevoeligheid” heel alert te blijven en goed te observeren.

De verschillen mogen dan klein zijn, de gevolgen zijn dat zeker niet.

zondag 15 januari 2012

Hooggevoeligheid en trauma

door Marian van den Beuken

Ik krijg nogal eens vragen over de relatie tussen klachten ten gevolge van trauma en hooggevoeligheidsklachten. Ik vind het een belangrijke vraag en tegelijkertijd ook iets van de orde van de kip of het ei.

prikkels Hooggevoeligheid en trauma 

Ik denk dat de klachten van hoog gevoelige mensen die chronisch overprikkeld en overbelast zijn, vaak overeenkomen met traumaklachten.  Ik wil niet op de stoel van een psychiater gaan zitten, maar ik vraag me wel eens af of op chronisch zwaar overbelaste HSP’s niet vaak de diagnose posttraumatische stressstoornis  van toepassing is. Alleen is het trauma dan niet een aan te wijzen gruwelijke gebeurtenis maar een langdurig blootstaan aan overbelasting van het kwetsbare zenuwstelsel door heftige prikkels van grovere aard, zoals lawaai, drukte, ruwe bejegeningen, negativiteit, een te grote diversiteit aan signalen als negatieve stemmingen, dubbele boodschappen, stress, te fel of te weinig licht, bepaalde voedingsmiddelen, medicijnen, geuren.

In therapie wordt vaak naar oorzaken van ‘het trauma’ gezocht. De cliënt is zelf ook al eindeloos bezig geweest, oorzaken te zoeken voor de klachten. Er wordt dan niets gevonden wat een trauma kon veroorzaken. Maar het trauma zit in de directe leefomgeving en die is voor HSP’s zo gewoon – ze hebben er immers vanaf hun babytijd in geleefd –  dat ze niet weten dat er ook andere leefomstandigheden bestaan.  Ze zijn als vissen die in vervuild water leven en zich afvragen wat ze toch verkeerd hebben gedaan of wat ze toch verdrongen hebben dat ze zoveel klachten hebben.

Als ik naar mijn eigen geschiedenis kijk: ik heb zelf vaak allerlei klachten  van cliënten met een verleden van seksueel misbruik in mezelf herkend, terwijl zoiets  voor zover ik weet, in mijn leven nooit heeft plaatsgevonden. Ik denk wel dat er stelselmatig inbreuk is gemaakt op mijn grenzen en mijn persoonlijke integriteit. Achteraf zie ik dat mijn ouders en mijn oudste zus behoorlijk getraumatiseerd waren door de oorlog. Ze waren niet in staat, een gezonde leefomgeving te creëren voor de jongere kinderen. Ik ben er uiteindelijk behoorlijk bovenuit gegroeid, maar heb toch nog steeds momenten waarop ik weer overvallen word door ‘onverklaarbare ‘ klachten, die ik dan maar weer toeschrijf aan mijn ‘bagage’. Niet aan het feit dat ik hooggevoelig ben, wel aan het feit dat ik in een omgeving ben opgegroeid die met name voor een HSP heel ongezond was. Elke keer als ik een nieuw veld van groei in stap, lijken deze klachten opnieuw geactiveerd te worden. Dit lijkt dan misschien even een terugval, maar ze blijken wel steeds sneller te verdwijnen.

Drama begaafde kind Hooggevoeligheid en trauma

Ik denk dat juist hoogsensitieve mensen die in een getraumatiseerde omgeving zijn opgegroeid vaak dragers zijn van het leed van de ouders en voorouders.  Ze zijn grenzeloos en staan veel te ver open doordat ze van baby af aan hun antennes gericht hebben op het leed van de ouders. Baby’s doen niets liever dan hun ouders plezieren en blij maken.  Zie het bekende boek Het drama van het begaafde kind [1]van Alice Miller; ik krijg steeds meer het idee dat de schrijfster met het begaafde kind het gevoelsbegaafde, het  hoogsensitieve kind bedoelt. Sinds ik kleinkinderen heb en baby’s van dichtbij in hun omgeving observeer met de kennis en ervaring die ik nu heb, vind ik het schokkend te zien hoezeer volwassenen bezig zijn, naar de gunst van een baby te dingen. Ze willen bijna allemaal  voortdurend dat de baby tegen hen lacht. Alsof een baby nooit eens iets anders te doen heeft. Deze volwassenen zijn niet bezig, de baby aandacht te geven, nee, ze willen zelf de aandacht van de baby. Het is voor mij af en toe bizar om te zien maar het wordt wel normaal geacht. Ik weet heel goed hoe helend de intimiteit met een baby kan werken. Maar lang niet alle volwassenen weten daarbij een gezonde afstand in acht te nemen, zodat de baby er vooral voor zichzelf kan zijn. Volwassenen hebben vaak geen idee dat ze in dit opzicht beschermers zouden moeten zijn en zeker voor hoogsensitieve baby’s.

Volgens Indra T. Preiss[2], die veel met hoogsensitieve mensen werkt in familieopstellingen,  gaat het hoogsensitieve kind als er problemen zijn in de familie, bijvoorbeeld langdurige spanningen in de relatie van de ouders, zijn gevoeligheid gebruiken om de ouders te ‘helpen’, te ‘bemiddelen’, door ‘bondgenoot’ van een van de ouders te worden of juist de ouders van hun problemen af te leiden door bijvoorbeeld ziek te worden of zich lastig te gaan gedragen. Wat het kind ook doet, het krijgt het zwaar, doordat het eigenlijk de problematiek van de volwassenen op zich neemt en niet meer voluit kind kan zijn.

Wat daar naar mijn idee nog bij komt, is dat het vaak beloond wordt voor meegaand of ondersteunend gedrag naar de ouders, terwijl geen volwassene ziet dat het kind tegen zijn eigen kinderlijke aard in aan het gaan is. Ook hier ontbeert het kind de bescherming van volwassenen in zijn omgeving en het ontwikkelt dan ook een overtuiging dat het verantwoordelijk is voor het welzijn van anderen en dat er niemand is die zijn wezenlijke wel-zijn in de gaten houdt. Dit wordt dan de ‘natuurlijke’ gang van zaken. Veel hoogsensitieve mensen krijgen hier pas in de loop van hun volwassen leven zicht op.
‘Juist omdat HSP’s enorm gevoelig zijn voor het leed van anderen, zijn zij bijna automatisch de meest belaste personen van heel het familiesysteem’, zegt Indra T. Preiss.
Nog lastiger wordt het voor het gevoelige kind als er in vroegere generatie van zijn familie een onverwerkt trauma speelt. Dat kan bijvoorbeeld het oorlogsverleden van de grootvader zijn, de aan wiegendood gestorven tante of de vroeg gestorven vader van de moeder . Het hoog sensitieve kind pikt de verstoring op en draagt die onbewust met zich mee, soms met gevolgen als depressie, concentratieproblemen of ziekte. De latere volwassene, voelt dan een zware emotionele last op zijn schouders of is gewoon niet gelukkig. Door deze grote belasting wordt hooggevoeligheid eerder als vloek dan als zegen ervaren.

Kortom, trauma en hooggevoeligheid kunnen erg met elkaar verweven zijn. Als je mensen hier in begeleidt, maakt het eigenlijk niet uit van welk vertrekpunt je start. Iedere hulpvraag waar een cliënt mee komt,  is prima. Als je het een aanstipt, komt het ander meteen mee.
Persoonlijk vind ik het niet zo belangrijk om in het begin al meteen te weten wat precies de oorzaak is. Ik werk zelf liever visiegericht dan probleemgericht. Ik bedoel daarmee dat ik, als een cliënt een probleem schetst, ik op zoek ga naar het verlangen dat onder dat probleem ligt. Daarmee is het probleem niet onmiddellijk opgelost, maar de cliënt wordt al wel blij van het beeld dat opgeroepen wordt: datgene waar hij of zij naar toe wil. Hier wordt het contact met de bron, de heelheid gemaakt en wordt de helende vibratie geactiveerd. Datgene waar je energie aan geeft, wordt versterkt. Geef je energie aan angst, dan versterk je de angst. Besteed je voortdurend aandacht aan boosheid of wrok, dan versterk je die. Help je de cliënt dus een beeld te scheppen van degene die hij of zij werkelijk van binnenuit is en wil zijn en besteedt deze daar ook dagelijks aandacht aan, dan wordt stap voor stap die positieve energie versterkt. Dat brengt het doel steeds dichterbij. En onderweg daarheen komt er als vanzelf meer inzicht in de oorzaak van het probleem.

Marian van den Beuken

woensdag 4 januari 2012

ADHD bestaat niet



Drukke kinderen zijn er altijd geweest. Eind vorige eeuw waren ze volgens psychiaters biologisch gedegenereerd, vervolgens hadden ze emotionele problemen. Momenteel doet ADHD opgeld.
 
Een huisarts die op zijn spreekuur ouders met een overactief kind tegenover zich vindt, denkt anno 2001 meteen aan Attention Deficit Hyperactivity Disorder (ADHD). Dertig jaar geleden had de arts waarschijnlijk gevraagd: ‘Hoe gaat het eigenlijk in uw relatie?’. 

Een psychiatrische aandoening als ADHD lijkt vanzelfsprekend, alsof ze er altijd al is geweest. Maar het tegendeel is waar. Door de jaren heen hebben medici en psychologen de meest uiteenlopende theorieën bedacht over het ‘afwijkende’ gedrag van zeer onrustige kinderen. En de ontwikkeling van die theorieën is niet alleen een gevolg van voortschrijdend wetenschappelijk inzicht, maar ook van sociale invloeden. Dat beweert de Italiaanse promovenda Maria Teresa Brancaccio in haar proefschrift: ‘But fidgety Phil/He won’t sit still...’, From Instabili- ty to Hyperactivity, 1890s-1990s, waarop ze op 21 juni aan de Universiteit van Amsterdam promoveert.

Brancaccio onderzocht de veranderde denkbeelden over hyperactieve kinderen vanaf het eind van de negentiende eeuw in Frankrijk, Italië en Groot-Brittannië. De situatie in Nederland wijkt daar niet van af. Bij het woord ‘hyperactiviteit’ moet meteen een voorbehoud worden gemaakt, zegt Brancaccio. Dat wordt namelijk nog niet zolang gebruikt. In de afgelopen eeuw zijn er talloze benamingen bedacht, van ‘instabiliteit’ tot ‘onaangepast’.

Brancaccio bestudeerde daarom psychiatrisch en psychoanalytisch onderzoek naar kinderen die de symptomen vertoonden wat wat nu ADHD wordt genoemd: een slechte concentratie en overactief en impulsief gedrag. Dergelijk gedrag wordt pas sinds de invoering van de leerplicht aan het einde van de negentiende eeuw als afwijkend beschouwd, aldus de promovenda.

Door de leerplicht gingen opeens grote groepen kinderen naar school, vooral van het platteland. Die kinderen hadden nauwelijks een klaslokaal van binnen gezien, en onderwijzers hadden grote moeite ze in het gareel te houden. De onderwijsinstanties riepen daarom de hulp in van dokters en psychiaters. Blij dat ze er weer een nieuw studieobject bij hadden, trokken die al snel de diagnose: er was sprake van een biologische afwijking. Vooral de degeneratietheorieën waren populair: de kinderen kwamen uit gezinnen die al generaties lang arm waren geweest, en waren daarom behept met erfelijke eigenschappen die ze zo wild en onaangepast maakten. Zonder dat er een geneesmiddel werd gevonden, bleven biologische theorieën lang de boventoon voeren.
 
Pas na de Eerste Wereldoorlog, toen veel soldaten terugkeerden met shell shock, een emotioneel trauma, kwam er meer aandacht voor het denkbeeld dat de gedragsproblemen van kinderen ook een psychologische achtergrond konden hebben. Die overgang van psychiatrie naar psychologie had ook nog een andere reden, zegt de Italiaanse. ‘Het eind van de negentiende eeuw was een erg onrustige tijd. De industrialisering had tot gevolg dat massa’s mensen naar de stad trokken. Dat bracht grote sociale problemen met zich mee.’ Veel van die problemen werden verklaard door te zeggen dat die nieuwe stedelingen, inclusief hun kinderen, biologisch ‘anders’ waren. Maar na de Eerste Wereldoorlog was de situatie veranderd. De onderklasse was geletterder, ‘beschaafder’ geworden, haar kinderen hadden geleerd zich in de klas te gedragen. De hogere en de lagere klassen begonnen steeds meer op elkaar te lijken, en ook welgestelde kinderen bleken gedragsproblemen te kennen.
 
‘Langzamerhand werden de verklaringen voor het onrustig gedrag van kinderen meer en meer psychologisch’, aldus Brancaccio. ‘Vooral na de Tweede Wereldoorlog werden de emotionele relaties binnen de familie steeds belangrijker: misschien hadden de ouders ruzie, of was het kind jaloers op zijn broer of zus; er werden allerlei verklaringen bedacht.’ 

In de jaren tachtig veranderde dat weer in Europa, zegt Brancaccio. De economische dip had tot gevolg dat psychologen beknot werden in hun tijdrovende onderzoeken, terwijl biologische verklaringen weer opkwamen. Tegelijkertijd waaiden er uit Amerika psychofarmaceutische geneesmiddelen over, zoals Ritalin. Dat bleek goed (en snel) te helpen bij de behandeling van hyperactieve kinderen. De psychiaters hadden de macht weer in handen, de aandoening ADHD was geboren.
 
Brancaccio lijkt met haar onderzoek de diagnose ADHD sterk te willen relativeren, maar zover wil zé toch niet gaan. ‘psychiatrische problemen zijn heel moeilijk te definiëren’, zegt ze. ‘Uit onderzoek blijkt dat sommige, zoals schizofrenie, in vele tijden en culturen worden beschreven, andere komen en verdwijnen weer. ADHD zit daar tussenin. Ik heb alleen geprobeerd zoveel mogelijk bronnen van haar ontstaan te vinden.’

Bron:http://www.dus-sarah-morton.nl/index.html