zondag 27 februari 2011

Workshop Woorden, woorden, woorden door Jan Camus


Workshop: Woorden, woorden, woorden met Jan Camus
Zondag 20 maart van 14 tot 17 uur
La RiPoSa in regio Leuven

Meer info via deze link


donderdag 10 februari 2011

Beelddenken en begripsdenken

Als HSP-er is communicatie een ware uitdaging voor mij.  Het gaat me echt niet vanzelf af.  En er zijn dagen dat ik echt wens dat de Harry Potter boeken echt zijn en iedereen bedreven was in legilimentie.  Voor de niet Potter lezers: legilimentie is het vermogen om gevoelens en herinneringen te onttrekken aan de geest van een ander.  't Zou soms ECHT wel handig zijn!

Hetgeen me brengt bij het verschil tussen beelddenken en begripsdenken.  Vandaag wil ik graag een post met je delen van Kuipers en Van Kempen.

vredesduifBeelddenken is denken in een meerdimensionale associatieve structuur van 'beelden'. Vaak is de structuur sterk visueel, vandaar de naam beelddenken. Bij 
zit er geluid bij, zoals bij videoclips, of gevoelsaspecten. Dan worden het brokstukken beleving of verbeelding.
Beelddenken is de denkwijze van onze intuïtie en onze creativiteit, en vindt vooral in de rechter hersenhelft plaats.

vredeBegripsdenken is denken via een platte ketting van woorden en begrippen, geordend volgens een logische structuur. Het is de geaccepteerde vorm van wetenschappelijk redeneren, en vindt vooral in de linker hersenhelft plaats.

Indien iemand een sterke voorkeur heeft voor beelddenken en relatief 'onbeholpen' is met begripsdenken, noem je hem/haar Beelddenker.


Hoogbegaafden/hooggevoeligen en beelddenken
hoogbegaafden/hooggevoeligen zijn in ruime mate in staat tot beelddenken, maar ze zijn zich dit lang niet altijd bewust. Of soms beschouwen ze het als een soort privédenken, omdat ze ervaren hebben dat het zelden aan anderen is uit te leggen. Dat komt doordat een hoogbegaafde/hooggevoelige in relatief veel dimensies en met grote gedachtensprongen beelddenkt waardoor verbale uitleg aan anderen lastig is. Hoogbegaafden/hooggevoeligen onderling kunnen vaak met weinig woorden en dankzij hun intuïtie elkaars beelddenken wel volgen.

School en begripsdenken
Op de meeste scholen wordt de stof sterk begripsmatig en volgordelijk aangeboden. Voor extra intelligente beelddenkers die niet tegelijk sterke begripsdenkers zijn, kan dit leiden tot de structurele miskenning van hun intelligentie. Zij bereiken zelden of met grote moeite het hoger onderwijs en starten 'gedegradeerd' hun loopbaan. In de beroepspraktijk lopen ze dan tegen het probleem op dat ze op lage functies instromen en veel slimmer zijn dan bazen en collega's, die wel een (hogere) schoolopleiding hebben.

Beelddenken kan samen gaan met enige vorm van dyslexie of dyscalculie. Door hun snelheid van denken kunnen hoogbegaafden/hooggevoeligen dit behoorlijk maskeren, zodat er dus ook niets aan wordt gedaan. Daardoor presteren ze gemiddeld en blijft de ontplooïng van hun talent steken. Als de dyslexie /dyscalculie eenmaal is ontdekt en te verhelpen blijkt, ontstaan er nieuwe perspectieven voor talentontwikkeling.


Het onverklaarbare goede antwoord
Xident beelddenkBeelddenken gaat razendsnel, meestal met een frequentie van zo'n 32 beelden per seconde. Dat is zo snel, dat onze hersenen niet in staat zijn ieder plaatje bewust waar te nemen. Op onbewust niveau gebeurt dit echter wel.
Het resultaat van het denkproces komt dus in een flits en als een verrassing, je weet niet hoe je er aan gekomen bent. Tegelijk weet je met grote zekerheid of het antwoord goed is, want onbewust heb je je denksprongen wel gevolgd.

Dat is op het werk of in de klas erg lastig: het idee of antwoord is goed als je kunt uitleggen hoe je er aan gekomen bent.
In veel schoolsituaties zal het antwoord fout zijn als je geen uitleg hebt en mogelijk bij de docent leiden tot een vermoeden van afkijken.
Op het werk is de reactie soortgelijk: je vondst is geniaal als je begrijpelijk kan uitleggen waarom iets een goed idee of een goede oplossing is.

hoogbegaafden/hooggevoeligen moeten er daarnaast rekening mee houden dat hun 'normale' denksprongen relatief groot zijn: De uitleg moet dus extra gedoseerd worden om begrijpelijk te zijn.


De onbegrijpelijke uitleg
Een beelddenker 'ziet' een idee of een oplossing voor een probleem ruimtelijk voor zich. Hij/zij kan er in gedachten omheen lopen, in gaan zitten, enzovoort. Iedere manier van kijken laat weer een ander aspect zien waarom het een goed idee of een goede oplossing is.

Hoe leg je zoiets met woorden uit? Alleen plaatjes is vaak geen geaccepteerde manier van uitleggen, en meerdimensionale maquettes zijn bewerkelijk, zeker als het onderwerp abstract is.
 
Dus begint de beelddenker de gesproken uitleg ergens in die ruimtelijke denkstructuur. Terwijl hij/zij de woorden van het verhaal kiest en tot zinnen rijgt, schieten de plaatjes van andere relevante aspecten door het hoofd. Dan worden zinnen niet afgemaakt, het perspectief van de uitleg wisselt onaangekondigd en het publiek haakt af, tot grote frustratie van allen. 

Doordat beelddenkende
hoogbegaafden/hooggevoeligen in relatief veel dimensies denken, stelt dat extra eisen aan hun vermogen om het goed uit te leggen.

maandag 7 februari 2011

Bekende hooggevoeligen


Acteurs / actrices
Woody Allen
Judy Garland
Jim Carey
Mira Sorvino
Adrien Brody
Melanie Griffith
Kim Basinger
Anthony Hopkins
Drew Barrymore
Glenn Close
Mr. Rogers
Andy Kaufman
Jon Favreau
Greta Garbo
Joaquin Phoenix
Elijah Wood
Kevin Kline
Kenneth Williams
David Hyde Pierce

Schrijvers
Edgar Allen Poe
Ralph Waldo Emerson
Emily Dickinson
W.B. Yeats
Paul Celan
The Bronte Sisters
Marcel Proust
Virginia Woolf
Marina Tsvetaeva
Jean-Jacques Rousseau
Sir Thomas Moore
E.E. Cummings
Hermann Hesse
Sylvia Plath
Anne Sexton
Allen Ginsburg
Fyodor Dostoevsky
Anton Chekhov
James Baldwin
Angela Carter
Kahlil Gibran
DH Lawrence
Henry David Thoreau
Robert Frost
Walt Whitman
Tennessee Williams
Wendell Berry
Rabindranath Tagore
Yukio Mishima
Paul Celan
Primo Levi
Charles Baudelaire
Franz Kafka
Deepak Chopra
Marianne Williamson
Spike Milligan
Selma Lagerlöf
Thomas Mann

Musici
Beethovan
Mozart
Morrissey
Tori Amos
Bjork
Jewel
Alanis Morissette
Leonard Cohen
Jacques Brel
Kurt Cobain
Robert Smith
Michael Stipe
Chris Isaak
Neil Finn
John Lennon
Janis Joplin
Billie Holliday
Moby
Natalie Merchant
Bob Dylan
Sarah McLaughlin
Celine Dion
Enya
Babyface
Jean Sibelius
Shostakovich
Roky Eriksson
Sid Barrett
John Coltrane
Neil Young
Janis Ian
P.J. Harvey
Lara Fabian


Artiesten
Leonardo Da Vinci
Vincent Van Gogh
Salvador Dali
Georgia O'Keefe
Picasso
Frida Kahlo
Frank Lloyd Wright
Albert Lentacker


Anderen
Abraham Lincoln
Franklin D. Roosevelt
Harry S. Truman
Martin Luther King
Malcolm X
Jimmy Carter
Thomas Beckett
Steven Spielberg
Kate Bush
Hildegard von Bingen
Princess Diana
Elisabeth, Empress of Austria
Carl Jung
Einstein
Newton
Edison
Christy Turlington
Dalai Lama
Buddha
Jane Goodall
Mother Teresa
Eleanor Roosevelt
Saint Francis
Joseph Campbell
Ingmar Bergman
Gandhi

vrijdag 4 februari 2011

De rol van de ouders


In mijn vorige blog posting had ik het over de kijk van Renata Hamsikova op onderpresteren.

Vandaag deel ik met je hoe zij de rol van de ouders ziet en vooral de dingen die absoluut niet helpen.


Dingen die niet helpen

1) Logica
Logica werkt niet bij onderpresteerders. Het is zinloos om uit te leggen hoe belangrijk goede
cijfers zijn. Logica en wijsheid motiveren het kind niet om hard te werken. De lessen van
ouders over de waarde van hard werken, motivatie en succes zijn zinloos.
De meeste kinderen weten wat er van hen verwacht wordt, zo ook onderpresteerders. Het
probleem is dat zij zich er niet toe kunnen zetten er gehoor aan te geven.

2) Lekkermakertjes
Lekkermakertjes werken niet omdat het om externe beloningen gaat. De kinderen worden
aangemoedigd om te werken voor verkeerde redenen (geld, cadeautje e.d.). Wat leren de
kinderen daarvan?

3) Privélessen en andere onderwijsbenaderingen
Zoals eerder gezegd wordt door het trainen van vaardigheden de kern van het probleem niet
aangepakt. Als het kind één-op-één wordt begeleid wordt zijn afhankelijkheid versterkt. In
plaats van de afhankelijkheid te verhelpen, versterkt de één-op-één begeleiding deze juist.

4) Consequenties laten voelen
Ouders moeten op de achtergrond blijven en hun kind de consequenties van zijn daden laten
voelen, zodat het lessen kan leren.
Van succes leren onderpresteerders niet hoe ze in de toekomst weer succes moeten boeken,
noch leren ze van hun falen waarom ze gefaald hebben en wat ze de volgende keer moeten
veranderen. Ze herhalen dezelfde fouten steeds weer. Ze leren niet van hun fouten, omdat ze
excuses niet vervangen door effectieve daden. Excuses weerhouden hen van het
onderkennen van de besluiten en motivaties die tot het falen hebben geleid. Zonder die kennis
kunnen ze niet veranderen, dus wanneer ze geconfronteerd worden met falen reageren ze
met hetgeen ze kennen en dat is het maken van meer excuses.
Onderpresteerders leren dus niet van de consequenties van hun daden, omdat ze geen
verantwoordelijkheid voor zichzelf dragen. Zonder het voelen van verantwoordelijkheid zullen
de kinderen de beslissingen die ze nemen over al dan niet presteren niet veranderen; ze
zullen hun gedrag en instelling niet bijstellen en zullen daardoor niet op een juiste manier
volwassen worden.

donderdag 3 februari 2011

het onderscheid tussen hooggevoeligheid en ADHD



Ouders, onderwijzers en hulpverleners worden er steeds vaker mee geconfronteerd: kinderen
met druk, impulsief en ongeconcentreerd gedrag. Uit onderzoek en ervaringen is gebleken dat
tal van factoren hierbij een rol kunnen spelen. Hierbij valt te denken aan een geboortetrauma,
middelen in de voeding, hersenbeschadigingen, maatschappelijke ontwikkelingen etcetera
(Muijsert-van Blitterswijk, 2004). Bepaalde ouders en leerkrachten vragen zich af of
hooggevoelige kinderen ADHD-kinderen zijn. (Marletta-Hart, 2003) 

ADHD staat voor Attention Deficit Hyperactivity Disorder en is een term die afkomstig is uit het DSM-IV
classificatiemodel, het classificatiesysteem waarmee in de psychiatrie wordt gewerkt. In het
DSM-IV model worden drie kernsymptomen van ADHD genoemd: concentratiestoornissen
(vergeetachtigheid, niet kunnen luisteren, snel afgeleid zijn), impulsiviteit (eerst doen en dan
nadenken, dingen eruit flappen, voor zijn beurt spreken) en hyperactiviteit (een continue gevoel
van onrust, veel friemelen, opstaan en bewegen, gespannenheid). Dit worden ook wel de drie
dimensies of hoofddomeinen genoemd. Er kan alleen van ADHD gesproken worden indien een
bepaald aantal symptomen in minimaal twee hoofddomeinen gedurende minstens een halfjaar
voorkomt en deels moeten ze al voor het zevende jaar begonnen zijn en tot belemmeringen in
het functioneren hebben geleid. Een ander criterium is dat de symptomen in meer dan één
milieu (thuis, school, vrienden/werk) tot uiting komen (Marletta-Hart, 2003).

Hooggevoelige kinderen kunnen wanneer ze langdurig onder druk staan, net als ADHDkinderen,
onrustig worden, symptomen van stress vertonen en lichamelijk druk gedrag
ontwikkelen. In zulke gevallen voelt het hooggevoelige kind zich in het nauw gedreven en
overprikkeld. Bij sommige families is de manier van omgaan met elkaar drukker dan in andere
families. Een hooggevoelig kind kan zich aanpassen aan de norm. Maar ook in rustige gezinnen
kan een hooggevoelig kind onhandelbaar worden, schreeuwerig zijn of aanvallen van hysterie
hebben. Toch is dit eerder uitzondering dan regel. Over het algemeen zijn hooggevoelige
kinderen rustige, ijverige en meewerkende types. Er zijn dus overeenkomsten maar er zijn nog
duidelijkere verschillen. (Marletta-Hart, 2003) Een belangrijk onderscheid tussen rusteloze
hooggevoelige kinderen en ADHD-kinderen is de mate waarin ze zich kunnen concentreren
wanneer ze niet worden afgeleid. ADHD-kinderen kunnen ook in een prikkelarme omgeving
moeilijk voor meer dan een kort moment in één ding geïnteresseerd blijven. ADHD-kinderen
vallen vooral op omdat ze altijd snel afgeleid zijn. Kinderen met een hooggevoelig karakter
kunnen zich juist heel intensief met iets bezighouden en de wereld om hen heen daarbij
vergeten. Zij vallen eerder op omdat ze overdreven ijverig en wijs zijn, of teruggetrokken,
verlegen en angstig zijn. (Marletta-Hart, 2003)
 
Aron voegt toe dat in tests bewezen is dat er bij ADHD-kinderen meer bloedtoevoer plaatsvindt
naar de linkerhersenhelft. Bij hooggevoelige kinderen gaat er meer bloed naar de rechter
hersenhelft, dit is de helft die te maken heeft met sociale en emotionele vaardigheden. Beiden
kunnen snel afgeleid worden omdat hen weinig ontgaat. ADHD is echter een afwijking,
bepaalde sturingsfuncties werken niet goed zoals: beslissingen nemen, plannen, reflecteren en
focussen. Wanneer een hooggevoelig kind niet overweldigd is, is dit kind hierin juist zeer goed.
Om onduidelijke redenen weten ADHD-kinderen erg slecht prioriteiten te stellen en de
aandacht te blijven richten op waar ze mee bezig zijn. Dit hebben hooggevoelige kinderen
onder normale omstandigheden niet (Aron, 2004b).
 
Muijsert-van Blitterswijk heeft over de relatie tussen druk, impulsief en ongeconcentreerd
gedrag en intuïtief bewustzijn geschreven. Volgens Muijsert-van Blitterswijk (2004) is het
duidelijk dat steeds meer kinderen druk, impulsief en ongeconcentreerd gedrag laten zien, maar
het is voor haar nog de vraag of al deze kinderen ADHD hebben. Ouders, onderwijzers en
hulpverleners vinden nogal eens van niet en hebben hiervoor meerdere argumenten:
 
 Deskundigen zijn nogal eens van mening dat problematiek onder kinderen vandaag de
dag niet vaker voorkomt dan vroeger. De toename van het aantal kinderen met een
diagnose zou simpelweg het gevolg zijn van betere diagnosticering: “We herkennen het
steeds beter en steeds vroeger”. Dit valt niet te ontkennen, we weten meer dan vroeger,
maar het verklaart slechts voor een deel waarom zoveel meer kinderen de diagnose
ADHD krijgen. Het heeft er ook deels mee te maken dat de criteria om van ADHD te
kunnen spreken aan inflatie onderhevig blijken te zijn. Vanaf het moment dat ADHD in
1980 een eigen plekje in het DSM-model kreeg, zijn de grenzen zo ver opgerekt dat
tegenwoordig ook veel mildere gedragsuitingen hieronder vallen. Dit maakt het
onmogelijk om te stellen dat ADHD tegenwoordig net zo vaak voorkomt als vroeger. Er
worden nu heel andere definities gehanteerd.
 
 De criteria voor ADHD zijn niet voldoende helder. De beoordeling van het begrip “last”
is per definitie subjectief. De betrokken partijen, ouders, onderwijzers en hulpverleners
kunnen sterk van mening verschillen over de ernst van de situatie.
 
 Sommige criteria zijn weinig specifiek, vooral voor wat betreft het gedrag van jonge
kinderen. Een aantal gedragsverschijnselen moet al voor het zevende levensjaar
zichtbaar zijn geweest. Een aantal van deze verschijnselen zijn juist heel normaal bij
jonge kinderen. Jonge kinderen volgen per definitie hun eigen interesses, zijn vaak
impulsief en hebben moeite met stilzitten. Bijna iedere ouder zal dit gedrag in zijn kind
herkennen.
 
 Om van ADHD te kunnen spreken is het essentieel dat gedragsverschijnselen zich
voordoen in verschillende milieus, dus niet alleen thuis of op school of bij
leeftijdsgenootjes of op het werk, maar in minimaal twee milieus. Toch krijgen ook
kinderen die slechts in een enkel milieu symptomen vertonen de diagnose ADHD. Deze
handelswijze is discutabel. Als kinderen slechts in een enkel milieu gedragsproblemen
laten zien ligt het immers voor de hand dat vooral omgevingsfactoren hieraan debet zijn.
(Muijsert-van Blitterswijk, 2004)
 
Kinderen die sterk vanuit hun intuïtie leven laten nogal eens gedragsverschijnselen zien die in
de hulpverlening typisch voor ADHD worden genoemd. Er is echter ook een heel andere
manier om naar druk, impulsief en ongeconcentreerd gedrag te kijken. Je kunt het ook zien als
een signaal voor onderliggende kwaliteiten in plaats van problemen (Muijsert-van Blitterswijk,
2004). Enkele criteria voor ADHD zoals ze in het DSM-IV model genoemd staan zijn: moeite
met aandacht, dromerigheid, moeite met plannen en structureren, veel praten of ‘doordraven’,
moeite met meervoudige opdrachten, moeite met het uitvoeren van opdrachten, druk en
impulsief gedrag en moeite met concentratie. Muijsert-van Blitterswijk kijkt op een andere
manier naar deze criteria, namelijk door ze in hun relatie tot veranderend bewustzijn en een
intuïtieve manier van informatieverwerking te zien. Dit is een positievere manier om naar druk,
impulsief en ongeconcentreerd gedrag te kijken (Muijsert-van Blitterswijk, 2004).
 
Moeite met aandacht
Een toenemend aantal kinderen vindt het moeilijk, zelfs onmogelijk, om hun aandacht bij taken
te houden die ze saai of oninteressant vinden. Taken, vooral schoolse taken, waar ze geen
innerlijke interesse voor op kunnen brengen worden zelden afgemaakt en details ontgaan ze
volledig. Gedragsdeskundigen noemen dit verschijnsel een rijpingsachterstand. Het is immers
een teken van volwassenheid om aan minder interessante taken te blijven werken en weerstand
aan verleidingen te bieden. Vanuit het kind gezien is aandachtstekort een duidelijk signaal dat
kinderen onvoldoende worden aangesproken op wie ze werkelijk zijn. Kinderen die ergens
wezenlijk in geïnteresseerd zijn hebben over het algemeen geen enkele moeite met het
vasthouden van aandacht. Dit verschijnsel is ook bekend onder kinderen met ADHD. Volgens
de Amerikaanse psycholoog Brown (in Muijsert-van Blitterswijk, 2004) kunnen kinderen met
ADHD hun aandacht alleen bij zaken houden waardoor ze gegrepen worden. Ze hebben
zogenaamde eilandjes van goed functioneren. Brown is van mening dat bij kinderen met ADHD
het knopje waarmee je ‘zin kunt maken’ defect is (in Muijsert-van Blitterswijk, 2004). Als de
aandacht van kinderen gevangen wordt door dingen van ze te vragen die hen werkelijk
interesseren, wordt een probleem ondervangen dat bij steeds meer kinderen speelt: desinteresse.
Dit is volgens Muijsert-van Blitterswijk (2004) een wijzere oplossing dan ze te medicaliseren.
Medicijnen onderdrukken alleen de symptomen of het signaal dat kinderen geven, het doet niets
aan de onderliggende oorzaak. Het geven van medicatie is volgens Muijsert-van Blitterswijk
(2004) alleen een wijze oplossing als er niets aan de oorzaak kan worden gedaan. Door
kinderen dingen te laten doen die ze echt leuk vinden wordt het ook makkelijker voor ze om
succesvol te zijn bij minder leuke taken. Volgens Muijsert-van Blitterswijk (2004) nemen
kinderen wanneer ze een deel van de tijd doen wat ze leuk vinden, de rest van de tijd voor lief.
 
Dromerigheid
De innerlijke wereld van intuïtieve kinderen is levendig, aansprekend en boeiend. In
verschillende opzichten is deze wereld voor hen meer reëel dan de wereld om hen heen. In hun
innerlijke wereld worden ze geïnspireerd, staan ze dicht bij hun bron, kunnen ze volledig
zichzelf zijn en worden ze niet begrensd door tijd en ruimte. Voor kinderen die zich onveilig of
onvoldoende uitgedaagd voelen kan hun innerlijke wereld echter ook een heel aantrekkelijke
wereld worden om in te vertoeven. Hierdoor gaan ze op een gegeven moment de aansluiting
met de wereld om zich heen missen. Kinderen die zichzelf zijn, hebben vanzelf de behoefte om
zich naar buiten te richten (Muijsert-van Blitterswijk, 2004)
 
Moeite met plannen en structureren
Een taak volbrengen vraagt planning, overzicht, structuur en vooral inzicht in oorzaak en
gevolg. Dit wordt ook wel een lineaire wijze van handelen en denken genoemd. De wereld van
het intuïtieve kind is echter allesbehalve lineair. Heden, verleden en toekomst vallen vaak
samen in het hier-en-nu. Hierdoor worden handelingen meestal door inzichten en gevoelens in
het moment zelf bepaald en spelen gebeurtenissen uit het verleden of verwachtingen van de
toekomst geen rol. Deze kinderen kunnen geen verbanden leggen tussen hun handelingen en
mogelijke consequenties op langere termijn. Wat zich op het moment zelf aandient is voor hen
het meest belangrijk. Om in de materiële werkelijkheid te kunnen functioneren is het wel
degelijk nodig om lineaire verbanden te zien (Muijsert-van Blitterswijk, 2004).
 
Veel praten of ‘doordraven’
In gesprekken komen intuïtieve kinderen (en volwassenen) nogal eens verward over. Hun
opmerkingen lijken vaak niets met het gespreksonderwerp van dat moment te maken te hebben.
Hiervoor zijn een aantal redenen. Tijdens een gesprek leggen ze razend snel verbanden en
maken ze associatieve gedachtesprongen. Als ze die verbanden en sprongen hardop uitspreken,
vliegen ze in de beleving van de ander van de hak op de tak. Wat voor hen zelf logisch is, is
voor anderen onnavolgbaar. Daarnaast trekt hun innerlijke belevingswereld (beelden, kleuren,
geluiden, etcetera) vele malen sneller aan ze voorbij dan ze met woorden kunnen uitdrukken. Ze
hollen tijdens het praten vaak achter zichzelf aan en gaan hierdoor steeds gejaagder praten. Ook
worden de uitingen van intuïtieve kinderen nogal eens als abstract ervaren omdat ze hun
informatie zo snel verwerken dat ze direct tot een conclusie komen. Anderen willen graag stap
voor stap weten hoe zij tot deze conclusie gekomen zijn. Kinderen kunnen dat vaak niet omdat
het ze aan een ervaringskader ontbreekt, ze hebben geen idee welke stappen ze kunnen
benoemen om iemand iets duidelijk te maken. Ten slotte vindt de communicatie van kinderen
ook nog vaak deels langs intuïtieve weg plaats. Hierdoor hebben ze vaak aan een half woord
genoeg (Muijsert-van Blitterswijk, 2004).
 
Moeite met meervoudige opdrachten
Kinderen die de wereld intuïtief ordenen hebben vaak moeite met meerdere opdrachten tegelijk.
Niet zozeer met het uitvoeren van meerdere opdrachten, dat kunnen ze vaak heel goed, maar
met het horen of registreren ervan. Ze schieten gauw hun innerlijke wereld in en zijn bij het
eerste woord de aandacht al kwijt en tien stappen verder in hun gedachten (Muijsert-van
Blitterswijk, 2004).
 
Moeite met het uitvoeren van opdrachten
Kinderen zijn zelfbewust en laten zich niet meer zo gemakkelijk vertellen wat ze wel of niet
moeten doen. Opdrachten die tegen hun eigen gevoel of innerlijke interesses ingaan, kunnen of
willen ze niet altijd uitvoeren. Kinderen willen graag eigen keuzes kunnen maken, wanneer ze
hiervoor niet de ruimte krijgen en hun vragen genegeerd worden kan een kind met druk en
opstandig gedrag reageren. Dat kinderen het liefst hun eigen weg volgen betekent overigens
niet dat ze overal ‘nee’ tegen kunnen zeggen (Muijsert-van Blitterswijk, 2004).
 
Druk en impulsief gedrag
Kinderen zijn zo sterk met hun innerlijke wereld verbonden, dat ze vaak volkomen
vanzelfsprekend uitdrukking geven aan wat zich hierin voordoet. Ze praten zonder aarzelen
voor hun beurt als ze het antwoord op een vraag weten of hollen midden in een spelletje weg als
iets hun aandacht trekt. Op het moment dat ze emotioneel of gevoelsmatig geraakt worden,
komen ze onmiddellijk in beweging. Dat dit gedrag storend kan zijn of zelfs ten koste van de
vrijheid van anderen kan gaan, ontgaat ze vaak. En als ze het al in de gaten hebben kunnen ze er
niets mee. De behoefte om uiting te geven aan wat zich in hen afspeelt is zo overweldigend dat
er geen ruimte is voor andere overwegingen. Dat kinderen met impulsief gedrag onmiddellijk
zichtbaar maken wat in ze omgaat kan ook te maken hebben met een teveel aan prikkels. Door
hun hoge gevoeligheid krijgen kinderen de hele dag door prikkels te verwerken en hebben ze
vaak behoefte om alles wat ze binnen krijgen er weer uit te gooien. Er is nog een andere reden
waarom kinderen steeds meer moeite met het weerstaan van impulsen lijken te hebben. Dit
vereist namelijk zelfcontrole. Uit onderzoek is gebleken dat zelfcontrole bijzonder vermoeiend
kan zijn en zelfs tot psychische en lichamelijke uitputtingsverschijnselen kan leiden. Het
onderdrukken van impulsen, gedachten en emoties kost uiteindelijk meer energie dan het uiten
hiervan. Het zou kunnen zijn dat sommige kinderen dit effect snel in zichzelf opmerken en er
daarom, bewust of onbewust, voor kiezen om zich onmiddellijk te uiten. Zo voorkomen ze
spanningen en stress (Muijsert-van Blitterswijk, 2004).
 
Moeite met concentratie
Kinderen die onvoldoende op hun innerlijke interesses aangesproken worden houden moeilijk
hun aandacht op de wereld om zich heen. Ook een verhoogde gevoeligheid voor prikkels speelt
hierbij een rol, want dat leidt af. Opvallend is dat kinderen met concentratieproblemen vaak wel
in staat blijken te zijn om langere tijd tv te kijken of computerspelletjes te spelen. Mogelijk
komt dit doordat deze snelle prikkels meer aansluiten bij hun innerlijke belevingswereld. Dit
zou ook kunnen verklaren waarom kinderen met ADHD bij saaie opdrachten meer fouten
maken dan minder drukke klasgenootjes. Bij taken met leuke, stimulerende onderdelen doen ze
het net zo goed. Van kinderen met druk en impulsief gedrag is ook bekend dat ze zich vaak
beter kunnen concentreren in een omgeving met geluiden. Luisterend naar muziek bijvoorbeeld,
zijn ze vaak beter in staat hun aandacht bij hun werk te houden, waarschijnlijk omdat ze zich
dan minder snel vervelen en omdat de muziek hun aandacht meer naar buiten gericht houdt. In
een stille omgeving, zoals een bibliotheek, worden ze makkelijker door hun eigen
gedachtewereld afgeleid (Muijsert-van Blitterswijk, 2004).

Bron: In hoeverre is hooggevoeligheid een adequaat concept voor orthopedagogische diagnostiek? door Ellemieke Puma