woensdag 23 mei 2012

10 dingen die je zou moeten weten over autisme

Ik ga niet 100% akkoord met alles wat gezegd wordt, maar sta er toch voor 90% achter. En ja, de regels gelden voor volwassenen zowel als voor jongeren.

Hooggevoelig en snel beledigd?

Ik wil vandaag graag een blog post met je delen van
Deze maand wil ik het graag hebben over bot en onbeschoft gedrag en over beledigingen, iets waar je als hooggevoelige last van kunt hebben. Elaine Aron schrijft erover, maar ik ken het ook goed uit mijn eigen coachingspraktijk: hooggevoeligen die met dit soort gedrag in aanraking komen, trekken het zich nog al eens aan en voelen zich er dikwijls diep door gekwetst. Dat gekwetste gevoel kan zo ver gaan dat iemand er volledig geblokkeerd door kan raken. Ik kan me nog goed herinneren hoe ik jaren geleden (in de tijd dat ik er nog geen flauw idee van had dat ik HSP ben, laat staan dat ik wist dat er zoiets als hooggevoeligheid bestond) enorm over mijn toeren was en zelfs braakneigingen had toen ik te maken kreeg met road rage en iemand zijn middelvinger naar me op stak. Gelukkig kan ik daar nu om lachen, en natuurlijk is zo’n obsceen gebaar, want dat is het uiteindelijk wel, zodanig ingeburgerd dat weinigen er zich nog druk over zullen maken. 
Inmiddels zijn mij een paar dingen duidelijk geworden. Ik heb geleerd dat mijn manier van reageren met mijzelf te maken heeft. Iemand kan mij alleen maar raken of beledigen wanneer ik mij laat raken of beledigen, wanneer ik mijzelf toesta om me door iemands gedrag aangesproken te voelen. Goed, het mag dan de opzet van die ander zijn om mij te kwetsen, maar het onbehoorlijke gedrag zegt iets over die ander en daar kan ik me niet verantwoordelijk voor voelen. Iemands botheid, gebrek aan manieren of respectloze gedrag ligt bij die iemand en niet bij mij. Ik kan daar niets aan doen en ik kan het niet veranderen. Ik heb ook geleerd dat ik als HSP’er sneller geraakt ben door dit soort gedrag omdat ik behalve het gebaar, behalve het uiterlijke zichtbare gedrag van iemand, vaak ook zijn intentie, zijn gevoel en gedachten áchter dat zichtbare gedrag opvang. Met andere woorden, als HSP’er krijg ik de dubbele laag: gebaar én intentie. En dat kan dubbel hard binnenkomen. 
Niet zelden word je als HSP’er uitgemaakt voor zwak of overgevoelig, en als dat gebeurt voel je je misschien onmiddellijk aangevallen, klein en onvolwaardig. ‘Zwak’ en ‘overgevoelig’ zijn oordelen, en degene die deze woorden uitspreekt oordeelt vanuit zijn eigen perspectief. Wat zo iemand dan in werkelijkheid zegt is: ‘Je bent zwakker/gevoeliger dan ik.’ Dat is wat hij dan denkt: hij dènkt het, maar hij kan niet met zekerheid weten of het waar is. 
Inderdaad, er zijn mensen die vinden dat HSP’ers zwakkelingen zijn. In werkelijkheid is het overgrote merendeel van de hooggevoelige mensen helemaal niet zwak in de algemene zin van het woord, maar zijn ze alleen maar… hooggevoelig. Zwak en hooggevoelig zijn twee totaal verschillende dingen. Alleen, die wetenschap kan niet verhinderen dat een HSP’er nog al eens onder beledigingen en grof gedrag te lijden heeft. Wat is er aan de hand?

Waarom komt een belediging zo hard aan?
·    Het kan zijn dat een nare opmerking hard aankomt omdat hij je (onbewust) herinnert aan iets dat je als kind vaak te horen kreeg. Je wordt uitgemaakt voor ‘slap’, het verwijt komt je bekend voor en je voelt je op slag onvolwaardig en/of schuldig. Is dat het geval dan is er sprake van een oude overtuiging, van iets dat nu niet meer voor je geldt, maar wat nog altijd pijn doet.
·    Het kan ook zijn dat je je gekwetst voelt omdat je een wat zwak zelfbeeld hebt en je zo’n negatieve opmerking automatisch opvat als een bevestiging daarvan. ‘Zie je wel,’ denk je dan, ‘ik deug inderdaad niet. Zijn zien het ook. Ik ben een slappeling.’
·    Een andere mogelijkheid is dat je jezelf graag vergelijkt met anderen, dat je graag deel uitmaakt van een groep maar dat je het gevoel hebt dat je er niet helemaal in past. Dat je toch anders bent. Dat je niet nèt zo goed, leuk, fit, slank of wat dan ook bent als de anderen. Als dat zo is, kan het zijn dat je voortdurend op je tenen loopt en je ‘beter’ voordoet dan je bent. Je voelt je dan niet prettig. In dat geval zie je waarschijnlijk ook je sterke punten niet meer en voel je je alleen nog maar de mindere omdat je je alleen nog maar op je zogenaamde tekortkomingen kunt concentreren. Iemand hoeft dan maar ‘iets’ tegen je te zeggen, en je vat het intens persoonlijk op bent prompt in zak en as. 
Het hangt helemaal van jezelf af of je je aangesproken voelt, of je je bekritiseerd of beledigd voelt. Een opmerking kan onterecht zijn, maar hij kan ook terecht zijn –niemand is immers volmaakt. Het kan best zijn dat iemand iets over je gedrag zegt wat tot op zekere hoogte, of misschien zelf wel helemaal waar is. In die zin is het dan ook verstandig om na te gaan of je iets aan je gedrag zou kunnen veranderen of verbeteren, en je zou die ander dan ook op kalme wijze kunnen vragen of hij bereid is zijn commentaar toe te lichten. 
Voel je je beledigd, gekrenkt, geïrriteerd of gekwetst dan is het misschien een idee om eens goed bij jezelf naar binnen te kijken om uit te zoeken waarom bepaalde woorden je zo van je stuk brengen. Kijk nog eens naar de punten die ik hier boven noemde en ga ermee aan de slag. Begrijp je waar je pijn vandaan komt dan verliezen kritische woorden hun “gif” en zul je er op den duur soepeler mee om kunnen gaan. Je kunt dat kijken alleen doen, of met de hulp van een coach of een therapeut die gespecialiseerd is in het herkennen en ontmaskeren van dit soort gevoelens. 
Als coach die zich met name richt op thema’s die rechtstreeks samenhangen met de hooggevoeligheid, kom ik regelmatig met deze ‘gevoelige’ kwestie in aanraking. Ik wil je graag helpen bij het ontkrachten ervan. Mocht je meer willen weten over het coachen, over mijn manier van werken (via Skype), neem dan gerust contact met mij op.

maandag 21 mei 2012

Top 10 Toxins Suspected of Causing Autism


By: Dominique Browning -  By Molly Rauch, MCAF

We know that autism is on the rise, and as parents, we are frustrated.
According to the Centers for Disease Control and Prevention, one out of every 88 children in the US has been diagnosed with an autism spectrum disorder. This is an increase of 78 percent since 2002.

What is driving this? Genes evolve far too slowly to account for the drastic rise in this disorder.
A prime suspect: ENVIRONMENTAL EXPOSURES.

Yesterday, environmental health experts Philip Landrigan and Luca Lambertini, both of Mount Sinai School of Medicine, and Linda Birnbaum, director of the National Institute of Environmental Health Sciences, published a list of ten widely distributed chemicals already suspected of causing neurodevelopmental disorders, or brain problems, in children.

 These are the TOP SUSPECTS, according to the experts:

Lead.
This used to be added to paint and gasoline, and still can be found in soil, water, old paint, toys, and other consumer products.

Methylmercury. 
Mercury comes out of the smokestacks of coal-fired power plants under lax regulation. This mercury precipitates out over oceans and lakes, and is transformed into methylmercury as it gets into the food web. We are exposed to toxic methylmercury primarily from eating fish.

Polychlorinated Biphenyls (PCBs). 
A family of chemicals used widely in electrical equipment until their ban in 1979, PCBs persist in the environment and can contaminate fish and other food. They accumulate in animal fats, so are prevalent in farmed salmon (which is fattier than wild salmon), beef, eggs, chicken, cheese, and butter.

Organophosphate pesticides. 
These include such common insecticides as malathion, parathion, diazinon, and chlorpyrifos.  These include lindane, a common lice treatment, and endosulfan. DDT (now banned) is an organochlorine pesticide that Rachel Carson made infamous as a bird-killer.

Endocrine disruptors.
Chemicals that interfere with the endocrine system come in a variety of forms. Some, such as dioxin and PCBs, have been linked to definitive health problems. Others, such as the plasticizer BPA, are suspected of having health effects at low exposure levels.

Automotive exhaust.
Well, most of us are turning the key each and every day. Can we find ways to drive less? Even better, can we find ways to use something to fuel our cars that does NOT produce such exhaust? The U.S. is, after all,  the land of innovation.

Polycyclic aromatic hydrocarbons (PAH).
A byproduct of incomplete combustion, exposure to PAH has been linked to a range of health problems, including anxiety and behavioral issues in children.

Brominated flame retardants. 
 These chemicals are purported to protect consumers from fire dangers. (The effectiveness of that protection is controversial.) They are found in a wide range of consumer products, such as children’s pajamas, mattresses, couches, car seats, strollers, and nursing pillows. Some have been proven harmful and phased out; others are still in use.

Perfluorinated compounds. 
 These are stain and stick resistant chemicals. Think Teflon, Gore-Tex, upholstery treatments, and dental floss. Yup, dental floss. It’s embedded in the fibers of some brands to make it slide more easily through the teeth.


These substances are coming into our bodies from the air we breathe, yes, but also from the products we buy, the food we eat, our grooming products, our electricity supply.

These substances were created in many cases by scientists, chemists, and engineers across the land; and their use lines the pockets of corporate America. (Or did line those pockets, until the substances were banned, and the waste left to circulate through the environment, including our bodies.)

These substances have enough evidence of health harm lined up against them to inspire the head of a national agency to write that they are suspects in causing brain problems in our children.

These substances are ubiquitous. It is almost impossible to avoid exposure. It is good to try to avoid these chemicals–but as you can see, it is difficult. DENTAL FLOSS? Who knew.
These substances are polluting us, and our children, with potentially severe consequences. Should we wait to find out for sure if these substances cause harm? Not when it’s my kids you’re talking about. No thank you. Instead, we should incentivize some nice scientific ingenuity on their behalf.


We must have a public health approach to these toxic suspects – which means a regime of prevention. Why should moms–and their children–be the human guinea pigs for the chemical industry?